Het einde van het ontslag op staande voet?

februari 3, 2017

Het einde van het ontslag op staande voet?

De Hoge Raad heeft een voor de arbeidsrecht praktijk belangrijke uitspraak gedaan. Hoge Raad 23 december 2016.

Het geven van ontslag op staande voet is voor de werkgever nog risicovoller geworden dan het al was. Voor de op staande voet ontslagen werknemer zijn de mogelijkheden tot het voeren van verweer toegenomen.

De op staande voet ontslagen werknemer kan hierover zijn beklag doen bij de kantonrechter. De kantonrechter kan oordelen dat de werknemer terecht is ontslagen. Sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid heeft de werknemer de mogelijkheid tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan bij het Gerechtshof. Het Gerechtshof kan met de kantonrechter van mening verschillen en oordelen dat de werknemer toch ten onrechte is ontslagen. En wat dan?

Het Gerechtshof heeft twee mogelijkheden: 1. De werkgever veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst en 2. Een billijke vergoeding aan de werknemer toekennen.

En dat zijn voor de werkgever twee ongewenste mogelijkheden terwijl de werknemer wellicht juist tot het hoger beroep wordt aangetrokken.

Werkgevers zaak vaak geneigd (te)snel tot ontslag op staande voet over te gaan. Werkgevers doen er na deze uitspraak van de Hoge Raad verstandig aan zich meer te bedwingen. Uiteraard kunnen stelende en geweld plegende werknemers nog steeds op staande voet worden ontslagen. Maar het is wel verstandig voorafgaande aan het geven van ontslag op staande voet heel goed te kijken naar de casus en de beschikbare bewijzen. Een verkeerde inschatting kan immers vervelende en kostbare gevolgen hebben.

Maar wat dan wel te doen?

De werkgever kan een (regulier) verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indienen (Art. 7:671b BW). De grondslag van dit verzoek kan verwijtbaar handelen van de werknemer zijn en/of een verstoorde arbeidsverhouding (Art. 7:669 lid 3 sub e, g). En in het geval de werknemer er echt een potje van heeft gemaakt kan de werkgever kiezen voor schorsing van de werknemer zonder behoud van loon (Art. 7:628 BW). Hierdoor bereikt de werkgever feitelijk een situatie die niet veel verschilt van het ontslag op staande voet.

Ook deze (reguliere) verzoekschriftprocedure met schorsing zonder loon kan leiden tot een hoger beroep procedure. Maar deze ontslaggronden hebben een beduidend lagere drempel dan de gronden van het ontslag op staande voet. Het risico voor de werkgever is dus aanzienlijk kleiner.

Het ontslag op staande voet blijft mogelijk. Maar extra voorzichtigheid is geboden en alternatieven zijn voorhanden.

Dit artikel is besproken in een artikel op de voorpagina van de Volkskrant op 15 augustus 2017.

https://s.vk.nl/s-a4511167/?_sp=28175689-4c21-4ce0-b727-6143b1c9eaee.1502783271158

Amsterdam 3 februari 2017

Jeroen Oskam